Hoe zit het ook alweer met een bonusregeling (deel 4): hoe verhoudt een bonus zich tot de transitievergoeding?
Transitievergoeding
Een werkgever moet in beginsel een transitievergoeding uitbetalen als het initiatief tot, of de reden voor, beëindiging van het dienstverband van een werknemer bij de werkgever ligt. Dat is het geval bij opzegging, ontbinding of een einde van rechtswege. Er zijn uitzonderingen, zoals wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst te wijten is aan het ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, of wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De transitievergoeding is gelijk aan 1/3 bruto maandsalaris per gewerkt dienstjaar en is gemaximeerd op EUR 102.000 bruto (in 2026) of, indien hoger dan dit maximum, een jaarsalaris.
Om tot het ‘rekensalaris’ te komen, wordt het brutoloon vermeerderd met vaste en variabele componenten waar een werknemer aanspraak op zou hebben als de arbeidsovereenkomst was voortgezet. Vaste looncomponenten zijn bijvoorbeeld vakantietoeslag en een vaste eindejaarsuitkering.
Bonus als variabel component
Wanneer een bonusregeling is overeengekomen, kwalificeert een bonus vaak als een variabel looncomponent. Dit betekent dat bij de berekening van de transitievergoeding in beginsel rekening moet worden gehouden met het maandgemiddelde van de bonusbetalingen over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt (‘de referteperiode’).
Alle variabele beloningen die in die drie kalenderjaren verschuldigd zijn geworden, worden dus bij elkaar opgeteld en gedeeld door 36. Dit maandgemiddelde wordt vervolgens meegenomen in de berekening van de transitievergoeding.
Referteperiode
In de praktijk bestaat regelmatig onduidelijkheid over de vraag welke bonusbetalingen moeten worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding. Het ‘Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding’ bepaalt dat daarbij moet worden uitgegaan van variabele beloningen die verschuldigd zijn in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt.
Dit roept vragen op in situaties waarin het moment van toerekening en het moment van uitbetaling niet samenvallen. Zo kan de vraag ontstaan of een bonus over het jaar 2024, die pas in 2025 wordt uitbetaald, moet worden meegenomen bij de berekening van het loon bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2025.
Volgens de heersende leer moet het begrip ‘verschuldigd in’ aldus worden uitgelegd dat wordt gekeken naar het variabele loon dat is toe te rekenen aan de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In het voorbeeld betekent dit dat de in 2025 uitbetaalde bonus over 2024 meetelt bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2025.
Beslissend is daarmee niet het jaar van uitbetaling, maar het kalenderjaar waaraan de bonus kan worden toegerekend.
De discretionaire bonus en de transitievergoeding
De bonus moet alleen niet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding als sprake is van een volledige discretionaire bonus (deel 2 van deze reeks) waarbij de werkgever steeds zelfstandig bepaalt of een werknemer recht heeft op een bonus zonder dat daarbij bepaalde voorwaarden zijn afgesproken.
Hierbij geldt: hoe meer voorwaarden er aan de toekenning van een bonus worden verbonden, hoe groter de kans dat een bonus bij de berekening van de transitievergoeding moet worden meegenomen.
Zo stond in een uitspraak van de rechtbank Rotterdam ter discussie of de werknemer recht had op de voorwaardelijke bonus over een bepaald jaar, vanwege onduidelijkheid over de omvang van de discretionaire bevoegdheid. De rechtbank oordeelde dat de onduidelijkheid in het nadeel van de werkgever moest worden uitgelegd. Hierdoor werd aangenomen dat de werknemer recht had op de bonus. Op verzoek van de werknemer werd de transitievergoeding vervolgens verhoogd, omdat bij de berekening daarvan ook rekening gehouden moest worden met de bonus.
Tip voor de praktijk
Bij de berekening van de transitievergoeding is het van groot belang om zorgvuldig te beoordelen of en zo ja, welk (deel) van de bonussen over de drie voorafgaande kalenderjaren moeten worden meegenomen. Daarnaast is het van groot belang om een duidelijke en schriftelijke bonusregeling overeen te komen met werknemers, waarin duidelijk is opgenomen waar de discretionaire bevoegdheid op ziet. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat onduidelijkheid over de discretionaire bevoegdheid veelal in het nadeel van werkgever wordt uitgelegd.
Deze blog is geschreven in samenwerking met onze oud-collega Manon Vermeulen.