Uitspraak van de week: "Concreet uitzicht op ander werk"

In menig vaststellingsovereenkomst is te vinden dat de werknemer ten tijde van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ‘geen concreet uitzicht mag hebben op ander werk’. De werkgever is slechts bereid om een beëindigingsvergoeding te betalen, indien de werknemer mogelijk enige tijd zonder werk zal zitten en dus inkomensverlies zal lijden. Veel rechtspraak over dit onderwerp is er niet. Deze week was het weer eens zover, in een uitspraak die speelde in de (bevroren) levensmiddelenindustrie. Wat was er aan de hand?

Het gaat niet goed bij de werkgever en er wordt in augustus 2022 een ‘trade stop’ afgekondigd. Dit betekent dat er geen nieuwe contracten meer mogen worden gesloten, in de afdeling bevroren levensmiddelen. De werknemer lijkt zich niet veel van de trade stop aan te trekken en er is met verschillende partijen contact over (mogelijke) transacties. Opvallend genoeg met partijen gelieerd aan personen die mogelijk het bedrijfsonderdeel van werkgever wilden overnemen en met wie de werknemer later in zee wenst te gaan voor een eigen onderneming. Er komen ook facturen boven water waaruit opgemaakt kan worden dat de werknemer al aan het voorsorteren was op zijn eigen onderneming.

Een belangrijk moment is de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, dit gebeurt op 11 november 2022. Rond die dag wordt ook een Whatsapp-groep gestart door werknemer en de overige personen die betrokken zouden worden bij de nieuwe onderneming. Een van hen trekt zich terug, en biecht alles op bij de werkgever. Zo komt het balletje aan het rollen en werkgever meent dat hij voldoende in handen heeft om het standpunt in te kunnen nemen dat werknemer al concreet uitzicht had op ander werk ten tijde van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. De werkgever claimt een boete van EUR 25.000 netto, terwijl de beëindigingsvergoeding EUR 20.000 bruto was. Er staat dus wel iets op het spel voor werknemer.

Hij trekt echter aan het kortste eind. De rechter is ervan overtuigd dat de werknemer al concreet uitzicht had op ander werk op 11 november 2022. Dat er nog geen afspraken waren gemaakt over de start van de onderneming, loon, etc. maakte geen verschil.

Als ik de uitspraak echter goed lees, meen ik door de regels heen te lezen dat de rechter de werknemer een klassiek ‘boefje’ vindt die al tijdens zijn werk met een eigen onderneming bezig was. Kennelijk was er geen nevenwerkzaamhedenbeding afgesloten, en werd hij langs deze weg alsnog de werknemer op de vingers getikt.

Helaas geen uitspraak die het leerstuk op zijn grondvesten doet schudden, maar houd ‘m bij de hand voor het geval een dergelijke kwestie speelt.

Lees hier de volledige uitspraak.