10 juni 2026 - Laura Schalk

De Letter of Intent bij bedrijfsovername: meer dan een vrijblijvende intentieverklaring?

Bij een bedrijfsovername begint de samenwerking tussen koper en verkoper vrijwel altijd met één document: de Letter of Intent (LOI). Dit ogenschijnlijk voorlopige stuk legt aan het begin van een overnameproces de spelregels voor de onderhandelingen, en de kaders van de samenwerking tussen partijen vast. Toch ontstaat er in de praktijk regelmatig discussie over de juridische betekenis ervan, met name over de vraag hoe bindend de in de LOI gemaakte afspraken nu daadwerkelijk zijn. Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam illustreert dit treffend.

Wat is een LOI?

Doorgaans benoemt de LOI de intentie van partijen tot overname, en bevat de LOI op hoofdlijnen de  voorwaarden waaronder partijen bereid zijn een koopovereenkomst te sluiten. Een LOI bevat vaak de volgende standaardbepalingen:

  • Exclusiviteit: de koper verkrijgt gedurende een afgesproken periode het exclusieve recht om een boekenonderzoek (due diligence) uit te voeren. De verkoper mag zijn onderneming in die periode niet aan derden aanbieden. Dit is voor de koper essentieel, gezien de aanzienlijke investering in tijd en adviseurs die dit onderzoek vraagt.
  • Geheimhouding: vertrouwelijke informatie die tijdens het proces wordt gedeeld, mag niet gedeeld worden met derden. Break-up fee: een boetebepaling die geldt als een partij zich onder bepaalde omstandigheden terugtrekt en daardoor kosten veroorzaakt bij de wederpartij.
  • Niet-bindendheidsclausule: een bepaling die stelt dat de gehele LOI, of alleen bepaalde artikelen daarin, niet juridisch afdwingbaar is/zijn en dat partijen daaraan pas gebonden zijn op het moment dat de formele koopovereenkomst (bij aandelenverkoop: de Share Purchase Agreement, of SPA) is ondertekend.

Een LOI is dus nadrukkelijk nog geen koopovereenkomst. Maar opgelet: legt u in de LOI al te gedetailleerd de transactievoorwaarden vast, dan kan het gehele document naar Nederlands recht juridisch bindend worden. Dit betekent dat een koper die zich tijdens de onderhandelingen terugtrekt, door de verkoper aan de LOI gehouden kan worden en de transactie alsnog verplicht is door te zetten onder de daarin vastgelegde voorwaarden.

Als verkoper wilt u doorgaans maximale committering van de koper. Als koper wilt u juist bewegingsruimte behouden. Bijvoorbeeld door in de LOI als voorwaarde op te nemen dat het due-diligence-onderzoek naar verwachting moet verlopen.

Rechtbank Amsterdam: de grenzen van een niet-bindendheidsclausule

Een recent vonnis van de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2026:3309) illustreert hoe dit in de praktijk kan uitpakken.

Partijen hadden in artikel 15 van hun LOI vastgelegd dat deze overeenkomst, met uitzondering van de exclusiviteits- en vertrouwelijkheidsbepalingen en de rechtskeuze, niet juridisch bindend was, en dat partijen pas contractueel aan elkaar gebonden zouden zijn op het moment dat een SPA was ondertekend. Artikel 15 betrof dus een niet-bindendheidsclausule. Artikel 8 stelde goedkeuring door derden (de aandeelhouders en investeerders van de koper) als voorwaarde voor de transactie. Artikel 11 voorzag in een boete van maximaal € 50.000 indien het uitblijven van die goedkeuringen tot extra kosten bij de verkoper zou leiden.

Na afronding van de due diligence liet de koper per e-mail weten voldoende comfort te hebben en de transactie te willen voortzetten. De verkoper stuurde daarop een eerste concept-SPA. Kort daarna trok de koper zich echter terug: zijn investeerders gaven geen goedkeuring voor de transactie. De verkoper stelde dat de koper verplicht was de koopovereenkomst te ondertekenen, omdat er een gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat de transactie doorgang zou vinden. Door de e-mail van koper zou de niet-bindendheidsclausule in artikel 15 van de LOI buiten werking zijn gesteld, en zou de koper de onderhandelingen dus niet meer kunnen afbreken. De rechter volgde dit standpunt niet. De e-mail van de koper met (opnieuw) de intentie tot overname en het circuleren van een concept-SPA, alsmede het feit dat partijen een volgende fase hadden bereikt, namelijk afgeronde due diligence, waren niet voldoende om aan te nemen dat artikel 15 van de LOI buiten werking was gesteld. De koper kon zich bovendien beroepen op artikel 8, en erkende zijn betalingsverplichting onder artikel 11.

De voorzieningenrechter wees de vordering van de verkoper daarom af. Daarbij woog nadrukkelijk mee dat het professionele partijen betrof, bijgestaan door juridische adviseurs. Zij mochten worden gehouden aan de tekst van de niet-bindendheidsclausule die zij zelf hadden onderhandeld en ondertekend.

Belangrijke kanttekening is dat het hier een kortgedinguitspraak betreft. De rechter oordeelt in een dergelijke spoedeisende procedure slechts of een vordering voorshands aannemelijk is. Een definitief oordeel is dat dus niet. Daarna volgt nog een bodemprocedure, waarbij een bodemrechter zich uitgebreider over de kwestie gaat buigen. De kortgedingrechter sloot in deze zaak uitdrukkelijk niet uit dat een bodemrechter, na een volledige en inhoudelijke afweging van alle omstandigheden, tot een ander oordeel zou kunnen komen. Een bodemprocedure in deze kwestie heeft nog niet plaatsgevonden.

Praktische aandachtspunten

In deze zaak liep het voor de koper dus goed af. Maar rechtspraak wijst uit dat het ook anders kan uitpakken. Een onduidelijk geformuleerde niet-bindendheidsclausule kan ertoe leiden dat partijen ongewild gebonden zijn aan (het laten plaatsvinden van) de transactie. Ook is het essentieel om in de LOI expliciet te benoemen welke bepalingen precies bindend zijn en welke niet. Een algemene niet-bindendheidsclausule dekt niet automatisch alle afzonderlijke bepalingen.

Heeft u vragen over de LOI of andere aspecten van een bedrijfsovername? Neem gerust contact met ons op.