5 maart 2019 - Jasper van Hulst

Het concurrentiebeding verleden tijd?

Op 6 februari 2019 deed de Rechtbank Midden-Nederland in drie verschillende zaken uitspraak over de geldigheid van een concurrentiebeding. In alle drie de zaken oordeelde de rechter dat het concurrentiebeding geen stand kon houden. Toeval of is het concurrentiebeding verleden tijd?

Zaak 1: Onvoldoende gemotiveerd
ECLI:NL:RBMNE:2019:415
De eerste zaak ging over een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In de wet is opgenomen dat een concurrentiebeding in een overeenkomst voor bepaalde tijd alleen is toegestaan als schriftelijk is gemotiveerd waarom dat beding noodzakelijk is op grond van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

Een sales manager treedt voor negen maanden in dienst bij een bedrijf dat zich bezig houdt met verpakkingsmaterialen voor cosmetica. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding van een jaar opgenomen. Onderdeel van dat beding is een uitgebreide schriftelijke toelichting waarom er sprake zou zijn van een zwaarwegend bedrijfsbelang. In die toelichting wordt uiteengezet dat de werknemer toegang heeft tot know how, relaties en andere concurrentiegevoelige informatie. Gebruikmaking daarvan na de arbeidsovereenkomst zou de werkgever schaden. De arbeidsovereenkomst eindigt na negen maanden en binnen een jaar treedt de werknemer in dienst bij een concurrent. De eerste werkgever verzet zich hiertegen en maakt aanspraak op €400.000 aan verbeurde boetes.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet heeft voldaan aan de (zware) motiveringsplicht zoals vastgelegd in de wet. De rechter overweegt daarbij dat de wetgever als uitgangspunt heeft genomen dat een concurrentiebeding bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet is toegestaan, tenzij de werknemer in een specifieke functie werkzaam is en dan moet er een specifieke afweging en motivering volgen. Dat was hier niet het geval, aldus de kantonrechter. In de motivering beperkt de werkgever zich tot algemeenheden die voor tal van werkgevers en werknemers kunnen gelden. Bovendien bleek ter zitting dat hetzelfde concurrentiebeding ook aan andere, zo niet alle, sales managers werd opgelegd. Tenslotte laat de rechter meewegen dat het concurrentiebeding eenzijdig is opgelegd waardoor er dus geen afweging van belangen heeft plaatsgevonden.

Zaak 2: Belang werknemer gaat voor
ECLI:NL:RBMNE:2019:416
De tweede zaak betreft een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In dat geval schrijft de wet niet voor dat het concurrentiebeding gemotiveerd moet worden.

Een werknemer treedt na zijn stage in dienst bij een automatiseringsbedrijf dat werknemers detacheert voor hoogwaardige automatiseringsdiensten. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding voor de duur van een jaar overeengekomen. Op enig moment treedt de werknemer bij een concurrent in dienst. Zijn voormalig werkgever eist in kort geding een verbod om voor de concurrent te werken en een voorschot op €66.000 aan boetes.

Omdat dit een kort geding is moet de kantonrechter beoordelen of het aannemelijk is dat de werkgever ook in een bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld. Dat is volgens de rechter niet het geval. De rechter weegt het belang van de werkgever tot bescherming van zijn bedrijf af tegen het belang van de werknemer op een vrije arbeidskeuze. Daarbij overweegt de rechter dat er sprake is van iemand die kort daarvoor een schoolverlater was, nauwelijks zijn interne training had afgerond, nooit gedetacheerd is geweest en van wie het niet aannemelijk is dat hij over bedrijfsgevoelige informatie beschikt. Onder die omstandigheden wordt de werknemer onevenredig benadeeld en onevenredig beperkt in zijn recht op een vrije arbeidskeuze. De rechter wijst de vordering van de werkgever dan ook af.

Zaak 3: Wel concurrentiebeding, geen concurrentie
ECLI:NL:RBMNE:2019:402

Ook in de derde zaak gaat het over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hier gaat het om verschillende werknemers die werkzaam zijn in de distributie van fitnessapperatuur. Ook hier is een concurrentiebeding overeengekomen van een jaar en een relatiebeding van twee jaar. De werknemers treden ook hier in dienst bij een concurrent en hun voormalig werkgever vordert nakoming van het concurrentiebeding en betaling van forse boetes.

De kantonrechter oordeelt dat werknemers weliswaar in dienst treden bij een concurrent maar dat het beroep op het concurrentiebeding alleen gerechtvaardigd is als – kort samengevat – er ook echt sprake is van of gerechtvaardigde vrees voor concurrentie. Het enkele feit dat een werknemer in dienst treedt bij een (kennelijke) concurrent leidt volgens de kantonrechter niet zonder meer tot concurrentie. Daarvoor is nodig, aldus de kantonrechter, dat de werknemers, met behulp van bij hun vorige werknemer verkregen kennis, die vorige werknemer beconcurreren. Volgens de kantonrechter was dit onvoldoende gebleken en wijst de vordering van de werkgever af.

Waar brengt dit ons?
Het zal geen toeval zijn dat dezelfde rechtbank op dezelfde dag drie uitspraken doet waarin een beroep op een concurrentiebeding door de werkgever wordt afgewezen. Blijkbaar wil de rechtbank een sterk signaal afgeven dat een werkgever er nog niet is met het standaard opnemen van een concurrentiebeding. Op zich is dat terecht. Een concurrentiebeding is een zwaar instrument. Het beperkt de werknemer immers in zijn mogelijke toekomstige werkzaamheden. Een concurrentiebeding kan gerechtvaardigd zijn, maar de veel voorkomende praktijk dat een dergelijk beding min of meer standaard in een arbeidsovereenkomst wordt opgenomen, werd hier hard afgestraft.

Voor zaak 1 geldt dat een beter geformuleerd concurrentiebeding toegeschreven op de specifieke situatie naar alle waarschijnlijkheid wel had gehouden.
In zaak 2 was er redelijkerwijs geen sprake van concurrentie wat door de werknemer uitgebreid was gemotiveerd.
Zaak 3 gaat een stuk verder. Partijen komen overeen dat de werknemer niet bij een concurrerend bedrijf in dienst mocht treden. Door het op deze wijze overeen te komen hoeft de voormalig werkgever niet van geval tot geval aan te tonen of er sprake is van concurrentie. Met het enkel in dienst treden bij de concurrent is al sprake van overtreding van het concurrentiebeding waarbij het aan de werknemer is om eventueel te bewijzen dat er geen sprake is van concurrerende werkzaamheden als gevolg waarvan een beroep op het concurrentiebeding mogelijk niet houdt. In deze uitspraak legt de rechter het bewijs van de concurrerende werkzaamheden bij de werkgever. Die toets lijkt mij te streng.

Samengevat
Een concurrentiebeding is maatwerk. Een standaard concurrentiebeding dat in iedere overeenkomst wordt opgenomen staat op gespannen voet met maatwerk en het risico dat zo’n beding niet houdt is reëel. Het is dan ook zaak om bij ieder te formuleren concurrentiebeding de vraag te stellen waarvoor dit beding specifiek dient en het beding daarop toe te schrijven. Höcker Advocaten heeft ruime ervaring met het formuleren van concurrentie- en relatiebedingen en is u daar graag bij behulpzaam.