7 november 2018 - Charlie Engels

Illegale uploader kan zich niet achter huisgenoten verschuilen

Recentelijk heeft het Europese Hof van Justitie een arrest gewezen waarin wordt ingegaan op de vraag of een houder van een internetaansluiting aansprakelijk gesteld kan worden voor het illegaal verspreiden van content via die aansluiting. Meer specifiek gaat het Hof in op de vraag of hij zich kan verweren met de stelling dat ook anderen dan hijzelf van die aansluiting gebruik hebben gemaakt. Het Hof concludeert dat de houder daarmee niet kan volstaan. Op zijn minst zal hij dan nadere gegevens moeten worden verstrekken over de identiteit van die andere personen en het gebruik dat door hen van de internetverbinding is gemaakt.

Achtergrond

De eiser in deze zaak, Bastei Lübbe, is de producent van een Duitse audioversie van een boek van Dan Brown. De aangesproken partij, Michael Strotzer, is een particulier die houder is van een internetaansluiting waarmee het boek via een filesharing (peer-to-peer) site is gedeeld. Met behulp van een expert had de producent exact weten vast te stellen dat het boek via de internetaansluiting van Strotzer was gedeeld. De producent heeft vervolgens een sommatiebrief aan Strotzer gestuurd waarin hij werd gesommeerd om de inbreuk te staken. Die sommatie bleef echter zonder resultaat waardoor de zaak voor de rechter kwam.

It wasn’t me…

In de procedure ontkende Strotzer dat hij het bestand illegaal had gedeeld. Daar voegde hij aan toe dat niet alleen hij maar ook zijn ouders toegang hadden tot de internetverbinding. Daardoor zou niet met zekerheid gesteld kunnen worden dat hijzelf de bestanden had geüpload. Voor zover hij wist, hielden zijn ouders zich echter ook niet bezig met illegale bestandenuitwisseling.

Het Landgericht München kwam uiteindelijk tot de conclusie dat dit verweer in beginsel moest worden gehonoreerd op basis van eerdere rechtspraak van het Bundesgerichtshof (de hoogste Duitse rechter). Uit die rechtspraak zou volgen dat de houder van een internetaansluiting, die ook aan anderen ter beschikking is gesteld, niet automatisch aansprakelijk is voor een via die aansluiting gemaakte inbreuk. Wel rust in dat geval op hem een ‘secundaire stelplicht’. Dat houdt in dat hij dient aan te geven dat anderen mogelijk inbreuk hebben gemaakt via zijn internetaansluiting en dat hij ook de identiteit van de betreffende personen vermeldt. Dat laatste geldt dan echter weer niet als het gaat om gezinsleden omdat het recht op bescherming van het huwelijk en gezin (artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) zich daartegen zou verzetten. Feitelijk komt het er dan op neer dat aan aansprakelijkheid kan worden ontsnapt wanneer één gezinslid kan worden aangewezen dat ook gebruik maakt van de internetaansluiting, zonder dat daarbij nadere informatie hoeft te worden verschaft over de identiteit van dat gezinslid of het gebruik dat door diegene van de internetverbinding is gemaakt.
Het Landgericht betwijfelde of deze praktijk wel in overeenstemming is met het Unierecht en heeft daarom een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld om daar duidelijkheid over te krijgen.

Oordeel Hof van Justitie

Het Hof verduidelijkt dat in deze zaak verschillende grondrechten tegen elkaar moeten worden afgewogen: aan de ene kant het recht op bescherming van intellectuele eigendom en het recht op verkrijging van een voorziening in rechte en, aan de andere kant, het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven. Het Hof benadrukt dat een “juist evenwicht” tussen de betrokken grondrechten moet worden verzekerd. Wanneer een van de betrokken grondrechten ernstig wordt aangetast, kan niet worden geconcludeerd dat een juist evenwicht is gevonden.

Uiteindelijk concludeert het Hof dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de handhaving van intellectuele eigendomsrechten uitvalt. Volgens het hof leidt de Duitse praktijk er namelijk toe dat de vaststelling van de inbreuk en de identificatie van de inbreukmaker onmogelijk worden gemaakt. Een nationale rechter moet dus de mogelijkheid hebben in dit soort gevallen overlegging van informatie met betrekking tot gezinsleden te bevelen.

Het Hof voegt daar nog aan toe:

“Dit zou evenwel anders zijn indien, ter voorkoming van een ontoelaatbaar geachte inmenging in het gezinsleven, de rechthebbenden zouden kunnen beschikken over een andere doeltreffende voorziening in rechte, met name door hun in dat geval toe te staan de wettelijke aansprakelijkheid van de betrokken internetaansluiting te doen vaststellen.”

Het is niet meteen duidelijk wat het Hof met dat laatste zinsdeel bedoelt. Het lijkt erop dat het Hof bedoelt dat wanneer lidstaten rechthebbenden de mogelijkheid bieden om de houder van de internetaansluiting aansprakelijk te stellen (of die nou daadwerkelijk achter de illegale upload zat of niet), die oplossing ook in overeenstemming is met het Unierecht. In dat geval zouden dan geen aanvullende gegevens over gezinsleden hoeven te worden verstrekt. Een soort risicoaansprakelijkheid voor de houder van de aansluiting wordt het dan.

Hierbij komt de vraag op in hoeverre met name de tweede optie zich verhoudt tot het eerder door het Hof gewezen arrest in de zaak McFadden. In dat arrest oordeelde het Hof onder meer dat een aanbieder van een gratis wifinetwerk in een winkel kan worden aangemerkt als een aanbieder van een “dienst van de informatiemaatschappij” die aanspraak kan maken op de vrijwaring van aansprakelijkheid voor mere conduits uit de E-Commerce richtlijn. Daardoor zal die aanbieder in beginsel niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken die via zijn netwerk zijn begaan. Wel kan van hem bijvoorbeeld worden gevergd dat hij zijn verbinding beveiligt met een wachtwoord als zijn verbinding wordt gebruikt om inbreuk te maken op auteursrechten (zodat inbreukmakers kunnen worden geïdentificeerd).

Waar het gaat om een houder van een privéaansluiting lijkt het Hof dus te willen zeggen dat die wel aansprakelijk zou moeten kunnen worden gesteld door een nationale rechter voor inbreuken die via zijn verbinding worden gemaakt. Het relevante onderscheid lijkt dan te zijn dat het bij een openbaar wifi-netwerk in een winkel gaat om een “dienst van de informatiemaatschappij” terwijl dat bij een privéaansluiting niet het geval is. Op die manier geldt er dan een verschillend aansprakelijkheidsregime voor privénetwerken die ter beschikking worden gesteld en netwerken die commercieel ter beschikking worden gesteld. Dat verschil kan wellicht worden gerechtvaardigd doordat bij een privéaansluiting de ‘aanbieder’ meer kennis heeft van en controle uitoefent over de personen die toegang hebben tot zijn verbinding. In die zin is hij minder neutraal en kan hem een grotere verantwoordelijkheid worden toegedicht.

Praktijk in Nederland

Er zijn bij mij geen voorbeelden uit de Nederlandse rechtspraak bekend waarin een particulier werd aangesproken voor illegaal up- of downloaden waarbij diegene zich vervolgens verweerde met de stelling dat een huisgenoot de schuldige was. Een en ander zal te maken hebben met het feit dat rechthebbenden en hun vertegenwoordigers (zoals BREIN) zich tot op heden voornamelijk hebben gericht op partijen die grootschalig inbreuk maken op auteursrechten en op internet service providers die dergelijke inbreuken faciliteren.

Als vanaf nu iemand wordt aangesproken voor illegaal up-of downloaden via zijn verbinding zal hij dus in ieder geval niet meer kunnen volstaan met de stelling dat een ander dan hij dat via zijn aansluiting zou hebben kunnen gedaan. Op grond van het arrest van het Hof, zal een rechter diegene dan op zijn minst moeten bevelen om aanvullende gegevens te verschaffen over die ander en het gebruik dat hij van de aansluiting heeft gemaakt. Interessant wordt het als die ander dan ook ontkent inbreuk te hebben gemaakt. Als er geen bewijs voorhanden is waaruit volgt wie precies de up-of downloader was, en de betrokken partijen naar elkaar blijven wijzen, zal een rechter wellicht moeten concluderen dat de houder van de aansluiting dan toch volledig aansprakelijk is. Anders zou de handhaving van auteursrechten in dit soort gevallen alsnog illusoir worden.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u terecht bij Charlie Engels