15 maart 2021 - Charlie Engels

Hof van Justitie voegt nieuw hoofdstuk toe aan jurisprudentie over hyperlinken

In een recent arrest heeft het Hof van Justitie wederom geoordeeld over de vraag of framed hyperlinks een mededeling aan het publiek kunnen opleveren. Nu ging het daarbij specifiek om de situatie dat door de bronsite technische beschermingsmaatregelen zijn getroffen die framen door derden moeten voorkomen. Het Hof oordeelt dat als met een framed link dergelijke beschermingsmaatregelen worden omzeild er inderdaad sprake zal zijn van een mededeling aan het publiek.

Achtergrond van de zaak  

De aanleiding voor dit arrest was een geschil dat was ontstaan tussen Stiftung Preußischer Kulturbesitz (SPK) en VG Bild-Kunst. SPK is onder meer verantwoordelijk voor de Deutsche Digitale Bibliothek, een digitale bibliotheek voor kennis en cultuur die een netwerk creëert tussen Duitse culturele en wetenschappelijke instellingen. VG Bild-Kunst is een collectieve beheersorganisatie die de rechten van visuele makers, zoals fotografen, vertegenwoordigt.

Op de website van SPK worden framed hyperlinks weergegeven die verwijzen naar content die op de portals van de deelnemende culturele instellingen kunnen worden geraadpleegd. Die framed hyperlinks zijn in wezen kleinere versies van de betreffende afbeeldingen die als een klikbare ‘thumbnail’ worden aangeboden. Wanneer daarop wordt geklikt, wordt de bezoeker naar de oorspronkelijke site van de deelnemende instelling geleid.

SPK wilde voor deze activiteiten een licentie verkrijgen van VG Bild-Kunst. Daarbij stelde VG Bild-Kunst echter als eis dat SPK afdoende technische beschermingsmaatregelen zou treffen om ervoor te zorgen dat derden niet ook de betreffende werken als framed link op hun websites zouden kunnen weergeven. SPK verzette zich hiertegen en stelde dat dit een onredelijke eis was om te stellen.

De Duitse rechter oordeelde – samengevat – dat de eis van VG Bild-Kunst niet onredelijk zou zijn als dergelijke technische beschermingsmaatregelen ervoor zouden kunnen zorgen dat ook derden, die dergelijke beschermingsmaatregelen omzeilen, dan kunnen worden aangesproken door VG Bild-Kunst voor auteursrechtinbreuk. Dan is er immers een duidelijk en legitiem belang van VG Bild-Kunst om die eis te stellen. De Duitse rechter wist echter niet zeker of in dat geval sprake zou zijn van auteursrechtinbreuk en stelde daarom een prejudiciële vraag aan het Hof.

Oordeel Hof 

Het Hof oordeelt dat inderdaad sprake kan zijn van een mededeling aan het publiek als bij het plaatsen van een link beschermingsmaatregelen worden omzeild. Hierbij zoekt het Hof aansluiting bij zijn eerdere arresten over linken zoals Svensson. In Svensson oordeelde het Hof al dat een (framed) link in beginsel kwalificeert als een handeling bestaande in een mededeling in de zin van de Auteursrechtrichtlijn. Wanneer de betreffende link echter verwijst naar een vrij toegankelijke website waarop de content met toestemming van de rechthebbenden is geplaatst, zou volgens het Hof met die link echter geen nieuw publiek worden bereikt. De redenering van het Hof daarbij was dat de rechthebbende bij de verlening van een licentie aan een vrij toegankelijke site er rekening mee zou hebben gehouden dat zijn werken dan ook via links op sites van derden ter beschikking worden gesteld. Het Hof verduidelijkte in Svensson echter ook dat als met de link bepaalde maatregelen worden omzeild die bedoeld zijn om alleen abonnees toegang tot een site te geven, de mededeling wel aan een nieuw publiek gericht zal zijn.

In deze zaak ging het niet om een site waarvan de toegang beperkt was tot abonnees. De vraag die het Hof in wezen moest beantwoorden was of het omzeilen  van beschermingsmaatregelen die framen moeten voorkomen gelijk kan worden gesteld aan het omzeilen van maatregelen waarmee de toegang tot een site wordt beperkt tot abonnees daarvan. Het Hof beantwoord die vraag dus bevestigend. Wanneer een rechthebbende een licentienemer verplicht om bepaalde beschermingsmaatregelen te nemen om linken te voorkomen, is het volgens het Hof duidelijk dat hij daarmee de toegang tot zijn werken via websites van derden wil beperken. Er kan dan niet vanuit worden gegaan dat de rechthebbende ermee heeft ingestemd dat derden de betreffende werken ook (via links) op hun websites ter beschikking mogen stellen. Dat de website waarnaar wordt gelinkt vrij toegankelijk is, maakt dan dus niet meer uit.

Het Hof oordeelt wel dat de technische beschermingsmaatregelen die linken moeten voorkomen “voldoende doeltreffend” moeten zijn (in de zin van artikel 6 lid 1 en 3 van de Auteursrechtrichtlijn). Als niet aan die eis wordt voldaan, “kan het met name voor particulieren immers moeilijk zijn om na te gaan of die houder zich tegen de framing van zijn werken heeft willen verzetten.” Deze passage roept de vraag op hoe het dan zit als maatregelen zijn getroffen die niet (heel) doeltreffend zijn. Mag dan sowieso naar die bestanden worden gelinkt? Of kan hier misschien ook een onderscheid worden gemaakt tussen particulieren en partijen die linken met een winstoogmerk? Dat laatste zou aansluiten bij het oordeel van het Hof in het GS Media arrest. Daarin oordeelde het Hof dat op commerciële gebruikers een plicht rust om te verifiëren of  content waarnaar wordt gelinkt al dan niet met toestemming van de rechthebbenden op een site is geplaatst. Verdedigbaar is dat van een commerciële partij die een link plaatst mag worden verwacht dat hij niet alleen verifieert of de content op de oorspronkelijke site met toestemming van rechthebbenden is geplaatst, maar ook of de rechthebbende heeft toegestaan dat naar die bestanden wordt gelinkt of niet.

Concluderend 

Het Hof verduidelijkt in dit arrest nader wanneer sprake is van een mededeling aan het publiek bij hyperlinken. Deze verduidelijking is wenselijk en ook redelijk. Het geeft rechthebbenden een middel om te voorkomen dat hun werken eindeloos via links worden hergebruikt op internet. Zij zullen dan wel bij hun licentienemers moeten afdwingen dat de benodigde maatregelen worden genomen.